‘We gebruiken seksualiteit in organisaties nooit als verklaringsmodel’ (Interview)

IMG_4171Managementboek publiceerde vorige jaar een interview dat Bert Peene had met Bert Overbeek, eindredacteur van JongeBazen. Het interview ging over zijn boek ‘Mannen en/of vrouwen’, dat in de Managementboek top 100 op nr 5 terecht kwam. We publiceren het interview als opmaat naar Overbeek’s nieuwe boek ‘Diversiteit’ dat binnenkort verschijnt bij uitgeverij Futuro. Dit boek zal gaan over alle vormen van diversiteit, en de strekking is: zorg dat je aandacht hebt voor het nut en de fun van diversiteit. En hou op met gezeur.

En dan nu het interview:

Groepsdynamica is een boeiend fenomeen waarover de laatste jaren volop wordt gepubliceerd. Over één aspect lees je echter niets: de verschillen tussen mannen en vrouwen. Dat is volgens Bert Overbeek bijzonder jammer en een gemiste kans, want juist die verschillen spelen een belangrijke rol in het vertoonde teamgedrag. Positief én negatief. Met zijn boek Mannen en/of Vrouwen (‘Diversiteit op de werkvloer’) wil hij managers bruikbare inzichten en een helder instrumentarium aanreiken om hun teams beter te laten presteren in een prettige werksfeer.

Als ik uw boek lees, denk ik: het klopt dus toch, mannen komen van Mars en vrouwen van Venus.

Als je per sé aan de oude iconen wilt vasthouden, gun ik je dat genoegen. Er is wel wat verandering, maar wie naar de verdeling van beroepen over seksen kijkt, ziet nog steeds erg veel mannen in procesgerichte en technische beroepen, terwijl vrouwen domineren in zorgberoepen. Ondanks intensieve campagnes als ‘Een slimme meid is op haar toekomst voorbereid’. Onze biologische systemen zijn hardnekkig. Dat kan ook niet anders. In mijn boek behandel ik de dominantie van hormonen bij gedrag. Testosteron is heel bepalend bij wat wij mannelijk gedrag noemen en daarvan hebben mannen nu eenmaal veel meer. Zorghormonen daarentegen zijn rijker vertegenwoordigd bij vrouwen en dat merk je. mijn uitgever noemde in een van zijn tweets het boek overigens Mars en Venus op de werkvloer. Het boek onderscheidt zich daardoor van John Gray’s Mannen komen van Mars en vrouwen van Venus. Ook inhoudelijk trouwens. Daarom heb ik hem ook nergens geciteerd.

Als we dat al lang wisten, waarom moet er dan toch nog een boek over geschreven worden?
Daar zijn meerdere redenen voor; voortschrijdend inzicht bijvoorbeeld. John Gray’s boek dateert van 2002; dat is veertien jaar geleden. Veel zaken die hij bespreekt, zijn intussen verouderd. Bovendien heeft hij dat boek niet geschreven voor managers en ontbreekt er een heleboel kennis die wij nu wel hebben en die behulpzaam kan zijn bij het aansturen van mensen; kennis over de menselijke geest. Het brein is de laatste jaren een ware hype, in de genetica is heel veel bruikbare kennis gegenereerd en Frans de Waal heeft zijn uitermate geestige apenboeken geschreven, waardoor we meer zijn gaan begrijpen van de biologische basis van ons gedrag. Vanuit de psychologie is vervolgens een mooie reactie op al die bio- en breinwetenschappen gekomen, waardoor dat nu veel meer een wetenschap wordt dan het ooit was. Mijn boek was hard nodig omdat er nog steeds een stroming in onze samenleving is die de verschillen tussen mannen en vrouwen niet accepteert. Daar verwarren ze gelijkheid met gelijkwaardigheid.

Hoe erg is dat?
Het is wel degelijk belangrijk om dat verschil te maken, bijvoorbeeld bij sollicitaties. Mannen zijn daar veel zelfbewuster omdat ze minder realistisch over hun competenties zijn dan vrouwen. Als je dat als selectieclubje niet weet, trap je daar gemakkelijk in. Met alle gevolgen van dien.

Volgens u is ons gedrag vaker seksueel gemotiveerd dan we denken. Freud zag het blijkbaar zo verkeerd nog niet.
Freud was inderdaad niet gek, maar hij beweerde enorm veel wat geen wetenschappelijke basis had. Freud had een rijke fantasie en miste onze instrumenten en kennis. Voor mij is zijn belangrijkste bijdrage gelegen in het inzicht dat wij mensen vaker seksueel gemotiveerd zijn dan we denken. Alleen vormen we dat gedrag om, we maskeren het. De meeste mensen zeggen desgevraagd dat zepolygaam zijn, maar er zijn toch erg veel mensen aan wie je dat helemaal niet merkt. Ik vertel in mijn boek dan ook dat we het vermogen hebben ertegenin te gaan, maar dat heel veel van ons gedrag bepaald is door seksuele rituelen, die weer samenhangen met voortplantingsdriften; daarover bestaat geen twijfel. We hebben ze echter verborgen in sociaal aanvaardbaar gedrag.

Ook gedrag in organisaties?
Organisaties zijn net dierentuinen. Wie goed kijkt, ziet dat seksualiteit in de onderlinge gedragingen van de mensen die er werken, volop aanwezig is. We gebruiken ze alleen nooit als verklaringsmodel. Dat zou je gemakkelijk kunnen doen bij profileringsgedrag in vergaderingen, bij teamconflicten en onze eigenaardigheid om lange mannen als leiders te willen.

Uw uitspraken over mannen en vrouwen zijn heel stellig. Hoe discutabel zijn ze feitelijk?
Dat valt wel mee hoor. Ik nuanceer veel tussen de regels door. Maar ik hou wel van pittige stellingen. Dat heeft te maken met het feit dat ik een boek altijd zie als het begin van een nieuwe discussie, maar dan wel een die ons verder brengt. Geen ‘alfamannetjesdiscussie om het laatste woord. Ik zal een voorbeeld geven. Uit een gedegen onderzoek blijkt dat gemengde teams beter presteren dan teams met enkel mannen of vrouwen. Dan vind ik het zinvol om te schrijven dat we op zo veel mogelijk plaatsen in organisaties een 50-50 verdeling van mannen en vrouwen moeten hebben. Daar voeg ik aan toe dat we opmerkingen over positieve discriminatie aan de kant moeten schuiven. Ik heb gemerkt dat dat leuke discussies oplevert. Ik denk echt geen seconde dat ik de waarheid in pacht heb of dat stelligheid bij een onderwerp past. Wel wil ik mijn stem laten horen in de hoop een discussie aan te zwengelen. Dus, terug naar jouw vraag: ik hoóp juist dat mijn stellingen discutabel zijn, in de meest letterlijke zin van het woord.

Over nuancering gesproken: ik vond het soms lastig grip op uw betoog te krijgen. Na een heldere uiteenzetting, bijvoorbeeld over hoe hormonen werken, vervolgt u regelmatig met de ontregelende woorden: ‘Dit hoeft niet per se het geval te zijn.’
Daar heeft mijn uitgever mij ook op geattendeerd. Al tijdens het herschrijven van het manuscript, weken voor de definitieve uitgave. Toch heb ik het zo laten staan, omdat kennis voortschrijdt en er soms daadwerkelijk verschillende visies mogelijk zijn. Niet iedere onderzoeker komt tot dezelfde conclusie en niet alles wat we nu als feit aannemen, staat over tien jaar nog overeind. Relativerende zinnen over de inhoud van je eigen betoog komen bij de meeste schrijvers niet vaak voor en dat vind ik jammer. We hoeven de 21ste-eeuwse mens toch geen houvast te bieden? Het lijkt me veel zinvoller om ze informatie aan te reiken die ze zelf kunnen omzetten in denkbeelden. Eerlijkheid over het feit dat iets ’niet per se het geval hoeft te zijn’ is dan een belangrijke vereiste. Ik vind dat een hoffelijk gebaar naar de lezer.’

 

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *