‘Otentiek’: hoe een grijze mus een krassende kraai werd…

Tom had ik 5 jaar geleden voor het laatst gezien. Hij was toen een vriendelijke lachende, introverte man, die zichzelf zag als een fletse vlek op een fleurige lapjesdeken . Hij werkte bij een bank, groot en fatsoenlijk van uitstraling en dus doortrokken van een corruptie, die alleen voor een hoogbegaafde financial te doorgronden was. Hij had eigenlijk best een heel aardige carriere met een prima salaris, vond hij, een fijne vrouw ook en twee kleine kinderen. Leuk autootje, waarmee hij twee keer per jaar een vakantie in Luxemburg organiseerde, omdat hij ondanks de kinderen toch naar het buitenland wilde, al was Luxemburg dan ook meer een regenachtig appendixje van België dan ‘echt buitenland’.

Hij zei dat hij eigenlijk alles had bij ‘moeder de vrouw’. Zijn natje en zijn droogje, bijvoorbeeld. Maar termen als moeder de vrouw en natje en droogje geven mij altijd de associatie met winkelcentra op zaterdagochtend, waar je amechtig en in razend tempo je boodschappen haalt, temidden van mensen die ruiken naar waspoeder en toiletchloor.

Tom was een beetje timide destijds, maar hij was zichzelf, en dat vond ik wel leuk. De onbetrouwbare bancaire wereld draait op dergelijke stille krachten, die als ideale schoonzonen en -dochters de aandacht afleiden van witwasserijen en all that jazz.

‘Ik heb het gevoel dat ik de wereld niets te bieden heb. Er gaat niets van mij uit. Ik ben niet creatief, niet origineel, eigenlijk heb ik ook geen ambitie. Mijn vrouw vindt dat prettig, zegt ze, lekker rustig, maar ik vind mezelf absoluut niet kleurrijk.’

En nee, kleurrijk was hij niet. Meer een grijze mus, zoals we dat zo oneerbiedig noemen, al zijn mussen zelden grijs, en meestal vrij druk en actief. Hij had weliswaar alles voor elkaar, maar nergens was er uitdaging of dreiging, en nooit sprong hij eens uit de band. Misschien hooguit op een bedrijfsfeest, waar hij na een paar biertjes dan wel eens danste, omdat zijn vrouwelijke collega’s dat zo gezellig vonden, maar bij het dansen zijn heupen bewegen, waartoe de dames hem uitdaagden, dat was net teveel gevraagd. Zijn heupen leken zich als een trein door de rails te bewegen. Geen beweging naar links of rechts, bang dat er iets uit de kom schoot.

Nu, vijf jaar later kwam ik hem dus weer tegen. En er was niets meer te merken van zijn depressie van weleer. Hij was veranderd in een man in een blauw pak met een fleurige stropdas. We namen een borrel op zijn verzoek, in zijn moderne tent waar krampachtig sfeer in was proberen te pompen via een interior designer. Ik had al snel spijt van de borrel. Ik kwam nauwelijks nog van hem af. Bij alles wat ik desgevraagd over mezelf vertelde zei hij: ‘Ge-wel-dig! Echt iets voor jou!’ Ongeacht of ik nu vertelde dat ik dagelijks een bruine labrador uitliet, klassieke concerten bezocht, zei dat ik mijn arm uit de kom had gehad of dat ik nog steeds geen auto had, telkens weer was het echt iets voor mij. Ik nam het maar voor lief. Mensen hebben nu eenmaal eigenaardigheden, zoals wespen angels hebben. Wie wespen met rust laat, wordt zelden gestoken.

Ik hoorde mezelf voortdurend ‘goh joh’ zeggen, toen hij aan het woord kwam. Het tempo waarin hij sprak was hoog. Zijn taalgebruik verschilde niet veel van dat van andere managers. Zo had hij het steeds maar weer opnieuw over drijfveren en overtuigingen.

‘Ik weet dat dat een overtuiging is, en dat ik er mee aan het werk moet, hoor, daar ben ik me van bewust. Ik ben dus al bewust onbekwaam, hahaha. Maar het helpt dan als je je drijfveren goed onderzoekt.’

Grappen komen in niveaus. Zoals je basisscholen hebt, middelbare scholen en universiteiten, zo heb je ook basisgrappen, middelbare grappen en hogeschoolgrappen. Dit was minder dan het basisniveau. Een grap waar je alleen zelf om lacht. Zijn opmerking over ‘onbewust onbekwaam’ was zo’n grap. Het woord ‘drijfveren’ hoorde je, net als ‘overtuigingen’ vooral in kringen van bankmensen, die veel trainingen hadden ondergaan. Daar leerde je dat je ze moet ‘onderzoeken’, en daar waren methodes voor.

Het resultaat is dat die bankmensen een taal hadden ontwikkeld voor hun emoties, die ze voorgeprogrammeerd optokken. En daarbij moest van alles geleerd worden, al was alleen niet duidelijk wat. Kort gezegd stond Tim’s ogenschijnlijke gedrevenheid stijf van de verbale managementdiarree.

Toen pakte hij een naambordje uit zijn koffertje.

‘Dit moet je zien, dit moet je zien’ zei hij, terwijl er een diffuse vermoeidheid op me neerdaalde.

Hij vouwde het naambordje uit.

Ik las een woord dat gespeld was als o-t-e-n-t-i-e-k…en kreeg pas na een kort poosje door dat daar het verkeerd gespelde authentiek mee bedoeld was. Je zou er ter plekke dyslectisch van worden.

‘Dit woord is zo belangrijk voor me’ riep hij uit ‘Zo belangrijk.’

Ik dacht: de grijze muis is veranderd in een onophoudelijk krassende kraai.

‘Okay’ zei ik ‘Fijn voor je. Maar het is niet goed gespeld.’

‘Het is JUIST goed gespeld’ bralde hij ‘Het is heel authentiek gespeld. Omdat het echt is. Ik ben dit. Op mijn eigen manier gespeld. Ik ben otentiek, met een o. Iedereen weet wat het betekent, en mijn diepere creativiteit is er zo goed in zichtbaar. Ik ben een gelukkig mens, Bert. Een heel gelukkig mens.’

Hij ratelde door, en ik knikte zonder nog echt te luisteren. Waarom was dat woord ‘authentiek’ uberhaupt uitgevonden, vroeg ik me af. Waarom zeiden we niet gewoon ‘echt’. Of ‘puur’. Waarom moesten we authentiek zeggen? Nadat ik me dit had afgevraagd kwam ik temidden van zijn woordenstroom tot een conclusie.

Kleurrijk was hij geworden, maar zo veel minder ‘otentiek’ dan ooit voorheen. De stille kracht was een lawaaiierige graafmachine geworden.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *