‘Ik discrimineer niet, maar…’

 

In de jaren negentig gaf ik jarenlang onder meer trainingen in ‘Cultuurverschillen’ bij de NS. De trainingen waren bedoeld voor conducteurs en stationsmedewerkers. In de middag kwam een acteur, meestal met een niet-Nederlandse achtergrond. Ik was daar blij mee, omdat hun aanwezigheid de deelnemers inzicht gaven in het specifiek Nederlandse karakter van hun perceptie. En dat was voor velen een openbaring. Ik kom nog steeds conducteurs tegen die me herinneren aan die trainingen, en die zeggen dat het hen zo heeft geholpen om soepel hun werk te kunnen doen.

Ik ben overtuigd van het nut van trainingen over cultuurverschillen, omdat mensen vaak geen idee hebben van de schaduwzijde van hun opvattingen. Zo vinden veel Nederlanders zichzelf ‘tolerant’, maar alleen al het idee dat je verdraagzaam denkt te zijn, getuigt van een zeker superioriteitsgevoel. Want wie ben jij dat je bepaalt of iemand ‘te verdragen’ is.

Bij de meeste Nederlanders zijn dit soort discriminerende subtiliteiten niet zo heel kwaadaardig, omdat ze het niet direct omzetten in daden. Bewustwording doet al veel. Maar anderen gaan verbaal in verweer. ‘Ik ben niet racistisch, ik discrimineer niet,’ zeggen ze. En als ze minder empathisch zijn, dan roepen ze dingen als: ‘jullie worden niet gediscrimineerd, jullie voelen je gediscrimineerd.’ Alsof mensen het zelf bedenken.

Zelf heb ik me in de jaren zeventig opengesteld voor de gevoelens van mensen met een andere achtergrond, huidskleur of seksualiteit. Ik ben me toen als puber met name gaan verdiepen in de beleving van mensen met een Zuidmolukse achtergrond. Ik had een paar vrienden onder hen ten tijde van de treinkapingen, en zij legden mij uit waar de gevoelens vandaan kwamen. Ontzettend veel van geleerd.

Geweld heb ik in alle vormen altijd afgekeurd, en ik hou ook niet van schreeuwerige discussies, maar ik ben wel altijd bereid om te kijken waar het vandaan komt. En het is mij duidelijk, dat mensen harder gaan roepen als je niet naar ze luistert. In Surinaamse kringen bestaat terecht al heel lang het gevoel dat de Nederlandse bevolking geen luisterend oor heeft, als zij het heeft over de subtiele vormen van racisme, waarmee ze te maken heeft. Dag in dag uit.

Nu wordt de boodschap steviger gebracht. Enough is enough, heet het. En dat gebeurt met de nodige felheid. Er zijn blanke Nederlanders, die zich hierdoor bedreigd voelen. Er zijn er ook, die verongelijkt reageren. Ze hebben niets gedaan, en krijgen toch verwijten, vinden ze. Ook op de term white privilige reageren ze. Onze samenleving is niet racistisch, is hun reactie, jullie overdrijven. Maar white privilige bestaat.

Kenmerkend voor deze reacties, is overigens dat ze wederom niet ingaan op de gevoelens van mensen, die dagelijks discriminatie ondervinden in onze samenleving. Dat voelen ze niet alleen zo, maar het gebeurt ook. Waarom is het zo moeilijk voor veel blanke Nederlanders om begrip te tonen voor deze ervaring? Om zich te verdiepen in dit fenomeen? Het komt namelijk verdraaid dicht bij pestgedrag, en daar zijn we allemaal wel heel hard voor aan het rennen.

In de trainingen uit de jaren ’90 liepen we hier ook al tegenaan. Daar konden we het rechtstreeks beïnvloeden. Het beste werkte het om dingen met geduld uit te leggen. Om mensen te vragen naar elkaar te luisteren, en de kritiek op de Nederlandse samenleving niet direct als een persoonlijk verwijt te zien.

Ik zag destijds echt mooie dingen gebeuren, ook al omdat de groepen een behoorlijke diversiteit kenden, en er emotie gedeeld werd met deelnemers met een Surinaamse, Turkse of Marokkaanse afkomst. Doordat we deelnemers vroegen naar elkaar te luisteren, ontstond er ruimte voor ontwikkeling. Ook nu ligt volgens mij de uitweg uit de onrust in luisteren naar elkaars verhalen.

Dat door elkaar heen roepen, en andersdenkenden demoniseren brengt ons niet verder. Maar niet willen of kunnen zien, dat er in Nederland anno 2020 onderhuidse discriminatie is, helpt ons ook niet verder. Wat we ons moeten realiseren, is dat we elkaar nodig hebben om samen verder te kunnen. Polarisatie heeft geen zin; mensen komen er niet door tot elkaar, en dat is wel wat je wil. Begrip voor elkaar en empathie.

In mijn nieuwe boek ‘De schakelaar’ besteed ik een flink hoofdstuk aan de wijze waarop mensen verder kunnen komen in hun denken over diversiteit. Ik vind dit ook een verantwoordelijkheid van organisaties, en dus van leidinggevenden. Organisaties zijn net als sportvelden: dat zijn de plekken waar mensen zich ontwikkelen tegenwoordig. Vandaar dat ik in ‘De schakelaar’ zoveel ruimte inbouw voor ontwikkeling, ook op het punt van diversiteit en inclusie, onder meer door middel van een zes stappen model om inclusiever te worden.

We moeten gaan begrijpen dat Nederland meerdere gezichten kent. Het fatsoenlijke en integere gezicht, dat samenzijn bevordert. En helaas ook, het gezicht van de mensen die zich niet bewust zijn van hun eigen discriminerende gedrag. Laten we elkaar opzoeken, en het erover hebben. Met luisterende oren in plaats van schreeuwende monden. Samenwerken heeft landen altijd verder gebracht. En oh ja, we hebben hetzelfde bloed, dezelfde verre voorouders en behoren tot dezelfde soort. Homo sapiens sapiens. Met 2 x het woord sapiens, ja. Dus laten we niet zo gek doen.

Trainer, coach, teamontwikkelaar en schrijver Bert Overbeek helpt organisaties met een praktische implementatie van inclusiviteit en diversiteit. Zijn laatste boek bespreekt een nieuwe leiderschapstijl. Je bereikt hem via zijn persoonlijke hotmail account: bert_overbeek@hotmail.com

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *