Man-vrouw verschillen: het oerwoud in organisaties?

Organisaties zijn hormonen- bubbelbaden. Die conclusie trok ik al in mijn boek ‘Mannen en/of vrouwen’. En het verklaart waarom mannen zo hardnekkig de top van organisaties blijven beheersen. Ondanks hun politieke correcte uitspraken over ‘meer vrouwen in de top’. Net als veel andere mensen stelde ik mijzelf in dit tweede deel van mijn drieluik over diversiteit (binnenkort verschijnt het derde: ‘Goden en goeroes’) ‘Waarom zijn er zo weinig vrouwen in de top van organisaties?’ De beste verklaring vond ik in de biologie.

Laten we de dierentuin er maar eens bijnemen. Als twee mannelijke steenbokken met elkaar uitmaken wie zijn genen mag gaan doorgeven, gaan zij daarvoor de strijd aan. Dat ziet er prachtig uit, maar voor de dieren is het geen pretje. Zij stoten elkaar zo hard als ze kunnen met hun horens op de meest kwetsbare plekken. Chimpansees, die genetisch iets dichter bij ons staan, doen ook zoiets. Tot bloedens toe verwonden zij elkaar om de alfaman in de groep te mogen zijn.

Zonder fysieke kracht kom je in de chimpanseewereld ook nog wel ergens. Mocht je de strijd verliezen, en de vrouwtjes vinden toch dat jij de nummer 1 bent, dan kan het zijn dat jij alfaman wordt en paart, en niet je tegenstrever. Het doorgeven van genen via voortplanting vindt dus vooral plaats in het samenspel van de strijd met je mannelijke concurrenten, en in de aanvaarding van je alphapositie door de vrouwelijke coalitie.

In organisaties zien we eenzelfde soort spel, als het gaat om degene die de macht heeft. Maar mensen beschikken over een paar eigenschappen die dieren niet hebben. Wij zijn niet de regenten van de dierenwereld geworden door onze fysieke kracht. Er zijn heel wat dieren die ons de baas zijn, en ons als een lekker hapje zien. We moesten slim zijn, en in groepen opereren. En er zijn een paar zaken die ons daarbij helpen.

Dieren communiceren weliswaar met elkaar, maar wij beschikken over een instrument dat zij niet hebben. Onze taal. En die biedt ons veel mogelijkheden, als het gaat om informatieuitwisseling. Daarbij lopen we op twee benen; een biologische zeldzaamheid. En tenslotte onderscheiden we ons van het dierenrijk door de grootte van onze prefrontale cortex. Dit hersendeel zorgt ervoor dat we kunnen reflecteren, plannen en organiseren. Het wordt wel de zetel van ons bewustzijn genoemd.

Omdat onze biolgische structuur anders is, zijn we er beter dan dieren toe in staat om onze instincten te verbergen. Dit betekent niet dat we ze niet hebben; integendeel. Ze nemen alleen een andere vorm aan. Kijk bijvoorbeeld maar eens naar statusgedrag. Het rijden in dure auto’s, het dragen van mooie en aantrekkelijke kleren, en niet te vergeten onze plaats in de hiërarchische rangorde van organisaties.

Uit zich herhalend onderzoek komt telkens weer naar voren, dat vrouwen gevoelig zijn voor de maatschappelijke status van mannen. Je verliest het als aantrekkelijke man maar al te vaak van mannen die minder aantrekkelijk zijn, maar een betere positie hebben verworven in hun bedrijven. Die bieden vrouwen meer ‘veiligheid’. Die veiligheid is een biologisch fenomeen.

Het vrouwelijk deel van de mensheid had honderdduizenden jaren lang behoefte aan de fysieke bescherming van het mannelijk deel van de bevolking. Een sterke man was dan onontbeerlijk, ook al voor de bescherming van het nageslacht tegen de bedreigingen van buitenaf. In onze digitale westerse cultuur heb je die eigenlijk niet meer nodig. Toch blijft dit verschijnsel in stand.

Status, een goede maatschappelijke positie en de daarbij behorende kleding, gadgets en andere blingbling, blijven dan onze relaties beheersen. En niet alleen onze relaties, maar ook het gevecht om mee te kunnen blijven doen in het doorgeven van genen, bijvoorbeeld door op te vallen in organisaties. Mannen worden daarbij geholpen door hun testosteron. Zij zijn door dat hormoon agressiever en meedogenloos als alpha-steenbokken en -chimpansees als het gaat om de verwezenlijking van hun doelen. Nadat ze hun tegenstander hebben verslagen, is de pikorde bepaald en wordt het weer rustig.

Vrouwen die naar de top willen, komen in dit woeste berglandschap terecht, dat bovendien ook nog eens eeuwenlang het domein van mannen is geweest. Je komt als vrouw eigenlijk terecht in een ruw berglandschap milennia lang door mannen is beheerst. Daar heersen strijdmethoden die je als vrouw vaak vreemd vindt en vreemd zijn. Onze westerse samenleving is al 50 jaar bezig om een gelijke verdeling te krijgen tussen mannen en vrouwen in organisaties. En het verschuift moeizaam, en momenteel zien we weer een stilstand in de instroming van vrouwen naar de top.

Niet alleen daar zien we dat veranderingen lastig zijn. Wie kijkt naar de verdeling van mannen en vrouwen over technische beroepen en zorgberoepen, zal zien hoe sterk we door hormonen bepaald zijn. Zorghormonen zijn bij vrouwen veel sterker aanwezig dan bij mannen. En dat zie je terug in de verdeling van mannen en vrouwen over de beroepen. De biologie is, kortom, hier sterker dan de cultuur en onze pogingen om machtsstructuren te veranderen.

Moeten we dan maar ophouden met de pogingen om dit te veranderen. Nee. Integendeel. Onze relatief grote prefrontale cortex is er kennelijk niet toe in staat om snel een verandering teweeg te brengen op dit gebied. Dit komt doordat oudere hersendelen (zoals de amygdala) ons vastzetten in moeilijk bedwingbare angsten en driften. Maar dit betekent niet dat we maar op moeten houden met de prefrontale cortex op dit punt meer kracht te geven.

Mede daarom bepleit ik in mijn boek ‘Mannen en/of vrouwen’ dat we naar een 50-50 verdeling moeten bij leidinggevende posities. Ik ben vrij ongevoelig voor het vaak opgevoerde argument, dat we niet aan positieve discriminatie moeten doen. De vraag is niet ‘Waarom zouden vrouwen benoemd moeten worden als ze minder geschikt zijn?’ Daarover zijn we het wel eens.

Nee, de vragen moeten anders zijn. ‘Waarom kiezen organisaties bij gelijke geschiktheid tussen een man en een vrouw vaker voor een man?’ En: ‘Waarom vinden we het goed dat mannen de topfuncties blijven bekleden?’ En ‘Als het na 50 jaar nog niet is gelukt, ondanks actief emancipatiebeleid, om oude rolpatronen om te vormen, hoe krijgen we het dan wel voor elkaar?’

En met name die laatste vraag zou de injectie kunnen geven aan een andere aanpak van diversiteit. We moeten anders leren kijken. Een voorbeeld. Mannen twijfelen minder aan zichzelf, omdat ze minder realistisch zijn bij de inschatting van hun mogelijkheden. Ze denken, mede vanwege hun testorongedrevenheid, dat ze van iets een succes kunnen maken. Vrouwen zijn hier terughoudender, ook in sollicititatieprocedures.

Omdat onze biologie gevoelig is voor een goed verhaal en met name zelfverzekerdheid, ziet de realistische afweging van een vrouw er minder krachtig uit, dan de voortvarendheid van een zichzelf overschattende man. En u mag zelf raden voor wie er vaker gekozen wordt bij selectieprocedures. Biologie domineert ons daar. En we zijn ons er vaak niet van bewust. Onze hersenen en onze hormonen zitten ons in de weg. Een bubbelbad van verkeerde inschattingen. En precies dáár moeten we ons ontwikkelen. Succes.

Bert Overbeek publiceert bij Futuro Uitgevers binnenkort ‘Goden en goeroes’. Dit boek gaat over de manier waarop een manager verschillen (diversiteit) in spiritualiteit kan bundelen om zijn team beter te kunnen laten presteren in een betere sfeer. Hoewel het gelezen kan worden als een afzonderlijk boek, geldt het als het derde deel in Overbeek’s drieluik over diversiteit. 

 

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *