Managementspeak!

Als de moderne manager spreekt, dan sterft het Nederlands. In de hersenpan van managers waaiert en wervelt een wonderlijke wirwar van Nederengelse woorden. De kunst van het managen lijkt wel om alles zo ingewikkeld, gewichtig en ondoorzichtig mogelijk te presenteren. Het klinkt dan in ieder geval interessant en de manager kan later nooit afgerekend kan worden op iets wat hij ooit heeft beweerd.

Een heel leger van Nederengels sprekende net gestevende zijden stropdassen komt bij u de zaak integraal op scherp zetten en committment van de cfo’s en ceo’s eisen. Een jaar, miljoenen euro’s en heel wat personele onrust verder is het zo ver: naast de implementatie van het Accounting House bericht uw bedrijf vol trots dat ook het Competence Centre staat als een house huis.

Een Accounting House? Met enig inlevingsvermogen begrijpt u wat het is: een groepje boekhouders bij elkaar op wat eens, héél lang geleden, de administratieve afdeling heette en onlangs nog de naam back-office droeg. Back-office is ondertussen zó wat van passé, het klinkt allang niet Engels genoeg meer. Met zo’n archaïsche business unit wordt uw bedrijf nooit market leader. En ziedaar, de geboorte van het Accounting House.

En dan nu het Competence Center: wat doen ze daar? Zitten ze daar competent interpersoonlijk en integraal duimen te draaien of met de juiste interpersoonlijke soft-skills koffie te drinken? Zouden ze dat bij tegenvallende resultaten een Incompetence Center noemen?

Al dat Nederengelse managementspeak gaat een eigen leven leiden en daardoor vervaagt de oorspronkelijke betekenis van de originele – vaak Amerikaanse – term. Neem de immens populaire kritische succesfactoren. Oorspronkelijk waren dit critical succes factors, ofwel kritieke succesfactoren. Kritiek en kritisch, dat zijn twee heel verschillende begrippen, maar door deze simpele vertaalmisser zit het Nederlandse bedrijfsleven nu opgescheept met succesfactoren die weliswaar heel kritisch zijn, maar niet helpen om het bedrijf op kritieke onderdelen bij te sturen.

Door de opmars van het Engels is het managementspeak-woordenboek de afgelopen jaren behoorlijk lijvig geworden, maar een van de ergste woorden is een raszuivere autochtoon: kantelen. Vroeger, als er een vrachtwagen op de A1 kantelde, dan stond je in de file. Tegenwoordig betekent kantelen meestal aanpassen, veranderen of reorganiseren. Ga dus alvast maar naar een outplacement center als je afdelingshoofd/coach/meewerkend voorman tegen je zegt dat hij een bilateraaltje met je wilt omdat de afdeling gekanteld gaat worden.

En het ergste is: langzaam maar onstuitbaar slaat al dit nietszeggende jargon over naar de gewonemensenwereld. Zo kan het gebeuren dat je op zondagmorgen rustig door een paar tijdschriften bladert en leest: “In de jaren zeventig begon de Nederlandse waardering voor Rudi Carrell echter langzaam maar zeker te kantelen. Belangrijkste oorzaak: “Der Rudi” begon in interviews steeds vaker af te geven op zijn geboorteland.”

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *