Geen discriminatie op de werkvloer, maar dus ook niet van witte/blanke mannen

Meer dan eens las ik in kranten, dat mannen een overbodige soort zijn. Ik begrijp dat wel. Ze moorden meer, voeren oorlogen met wapens, kunnen niet praten en niet luisteren (volgens hun vrouwen), zijn niet attent met Valentijnsdag en binnen afzienbare tijd kunnen we gewoon mensen klonen en zijn wij mannen dus ook niet meer nodig voor de voortplanting.

Voor de goede orde: dit mag allemaal hardop gezegd worden. Zeg je als man iets kritisch over vrouwen, dan moet je van goeden huize komen, wil je niet intellectueel gelyncht worden. Alleen vrouwen mogen vrouwen bekritiseren. Doe je het als man, dan keren zelfs met elkaar bekvechtende vrouwen zich per ommegaande tegen jou.

Maar over de man mag je alles roepen, en dat is niet juist vind ik. Niemand zal vallen over kritiek op de blanke man, die tegenwoordig ‘wit’ wordt genoemd, terwijl het woord ‘zwart’ niet meer gebruikt mag worden en vervangen wordt door gekleurd. Daar kan ik goed mee leven, maar dan spreken we ook niet over ‘wit’.

De witte man is ‘target man’, zoals dat zo mooi heet. Hij heeft status, de broek aan in dit land, verdient bovenmodaal en dan mag je volgens eeuwenoude Nederrijnse tradities op hem losgaan. En dat wordt dan ook scheutig en met veel emotie gedaan. ‘Hij’, de witte man, is corrupt, racistisch, oneerlijk in onderhandelingen, narcistisch en een notoire vreemdganger. Kortom: als het over de witte man gaat, hoeven we ons plotseling niet meer te houden aan de regels van discriminatie of fatsoen. Hij deugt niet, aan hem is alle ellende te wijten in de wereld, en ga zo maar door.

Als blanke man heb ik me altijd hard gemaakt voor inclusiviteit. Zelf spreek ik liever over diversiteit, omdat ik inclusiviteit een irritant anglicisme vind, maar voor die diversiteit heb ik zelfs vroeger thuis al ruzies gevoerd. Met mijn vader vooral, die vond dat mensen met een donkere huidskleur thuishoorden onder de zon, ‘en hier regent het altijd, dus hier horen ze niet’.

Woedend maakten zulke uitspraken me, en nòg. De discussies liepen dan ook hoog op tussen mijn vader en mij, als het hierover ging. ‘Die Ghanezen moeten terug naar hun land, die mensen zijn niet te vertrouwen’ Op mijn vraag of hij wel eens met iemand uit Ghana had gesproken, antwoordde hij dat nee, ‘en dat wil ik graag zo houden’. Totdat hij een Ghanees gezin ontmoette. Uiteraard sprak ik hier met hem over.

‘Hoe zit dat nou? Die mensen zijn toch niet te vertrouwen?’

‘Je moet niet iedereen over één kam scheren’ zei hij dan. En dit was nou toevallig een goede Ghanees, zoals je ook wel eens goede Duitser kon treffen. Moedeloos schudde ik het hoofd. Tegen beter weten in je mening niet bij willen stellen, dan zit het diep.

De strijd voor inclusiviteit beperkte zich bij mij al jong niet tot verschillen in afkomst en cultuur. Zo voetbalde ik in mijn puberteit graag met Mia, een Moluks meisje, en was ik op mijn 18e via een Zweeds vriendinnetje al druk bezig met feminisme, dat toen (in 1978) net in een zeer radicale fase zat. Naast ‘Opzij’, het huismagazine van de feministen, was er zelfs ruimte voor een nog radicaler blad met de naam ‘Serpentine’. In die kringen was iedere man verdacht. Ze wilden immers maar één ding.

Het feminisme heeft altijd op mijn steun kunnen rekenen, waar ik hun strijd gerechtvaardigd vond. Ik ben voor totale gelijkheid van man en vrouw, al zie ik ook dat ze alleen hormonaal al ontzettend van elkaar verschillen. Maar bij salarissen maakt dat niets uit. Dat mannen beter schijnen te kunnen onderhandelen volgens de studies, mag er niet toe leiden dat je als werkgever discriminerend aanklooit met de salariëring.

Maar nu de blanke man. Ik vind dat ik na jaren opgekomen te zijn voor allerlei andere groepen, wel eens even een lans mag breken voor ‘mijn eigen groep’. Allerlei onzin wordt over de blanke man uitgestort. Zo zou hij de uitvinder zijn van de slavernij en weigert hij zich open te stellen voor diversiteit. Hij selecteert, en dit ook nog onbewust, mensen uit zijn eigen groep. Blanke mannen selecteren blanke mannen.

Ik weet zeker dat dit voorkomt, maar ik denk dat gekleurde mannen ook sneller gekleurde mannen selecteren, en dat vrouwen ook sneller voor vrouwen uit hun eigen tribe kiezen. Hoewel, dat laatste valt nog te bezien, want in mijn talloze gesprekken met vrouwen hoor ik altijd maar dat ze liever met mannen dan met vrouwen werken. Echt, ik bedenk dit niet zelf, en het komt werkelijk in alle culturen en subculturen voor.

‘Ik werk liever met mannen’.

In mijn boek ‘Mannen en/of vrouwen’ ga ik dieper in op mannenteams, gemengde teams en vrouwenteams. Vrouwen vertelden me in interviews dat vrouwen ‘sneakier’ zijn dan mannen, geraffineerder strijden. Zij idealiseerden daarbij de eerlijkheid van mannen, bij wie het een keer botsen was en dan was het over. Dit laatste is onzin. Mannen kunnen ook jaren vervelend doen tegen elkaar.

Als we het over inclusiviteit hebben, mogen we de blanke man niet uitsluiten. Sterker nog: wie ‘witte’ bolwerken wil doorbreken, zal ook voor hem een toekomst moeten inruimen. Mag hij wel of niet meedoen aan de pluriforme samenleving van de toekomst? Zolang hij dat gevoel niet heeft, hou je blanke mannelijke lijsttrekkers, want dan moeten ze voor zichzelf zorgen en dat doen ze.

Verder moet de onzin over blanke mannen in de kast. Het is namelijk geen groep. Het gaat om mensen, om individuen. En terwijl hoog opgeleide vrouwen in afgesloten vrouwen-hei-sessies elkaar vertellen dat hun leiderschap beter is dan dat van mannen, zijn er gelukkig ook nog mensen die voor shared leadership gaan.

Ik besef dat een pleidooi voor de blanke mannen van deze tijd wrevel kan wekken, maar bij mij staat dit in een bedding van inclusiviteit: een pluriforme samenleving met gelijke kansen voor iedereen. En het spreekt vanzelf dat het not done  en discriminerend is om mannen in het algemeen overbodig te noemen. Overbodig wordt gedefinieerd door dat wat je nuttig en functioneel vindt. De vraag is dus: vanuit welk perspectief noem je iemand overbodig?

Erin Meyer noemt de Nederlandse samenleving ‘feminien’. En Esther Perel wijst erop, dat leven meer is dan communicatie alleen. De vrouwelijke eis dat mannen over hun gevoel praten is iets, waar we kritisch naar mogen leren kijken. Zeker, er mag meer gecommuniceerd worden, maar ook aan communicatie zitten grenzen. Soms moet je je gewoon je handen laten wapperen of met een geintje een einde maken aan te veel ernst. En daar zijn mannen goed in. Ook blanke mannen.

Ze gaan niet meer vreemd dan mannen met een andere huidskleur, ze voeren niet meer oorlog, ze moorden niet meer en tenslotte hebben ze de slavernij niet uitgevonden, en het merendeel van de Nederlandse voorvaderen heeft ook part noch deel gehad aan de handel in slaven. Helaas ook een deel wel, en daar hoeft geen Nederlander trots op te zijn.

Trainer en coach Bert Overbeek ziet discriminatie al jaren als een oplosbaar probleem. Het gaat om een basishouding. In zijn boeken ‘Mannen en/of vrouwen’, ‘Diversiteit’ en ‘Goden en goeroes’ breekt hij een lans voor inclusiviteit. 

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *