Leren is niet altijd leuk. En emotie in werk kan nuttig zijn!

Toen ik 18 was en het eindexamen in zicht kwam, besloot ik van school te gaan. Ik wilde schrijver worden, en als adolescent meende ik het beste van iedereen te weten hoe het leven in elkaar zat. Bovendien waren het de late jaren 70 van de vorige eeuw, en het idealisme was flink door onze genen gemengd. Idealisme in die tijd stond gelijk aan ‘tegen de gevestigde orde’, en alles wat die gevestigde orde interessant vond heette ‘burgerlijk’.

Ik vond, toen ik een alleswetende 18-jarige adolescent in de gloria was, heel erg veel burgerlijk. Ook het bekende paadje van: basisschool-middelbare school-hogeschool om in de gevangenis van een of andere baan te eindigen. Gevangenis, ja, want zo voelde dat destijds.

Schrijver moest ik worden, want omdat ik eigenlijk alleen nog maar hoge cijfers scoorde voor mijn opstellen, dacht ik dat ik wel even zou gaan meedraaien in de wereld van Mulisch, Hermans en andere giganten. Eigenlijk had ik voetballer willen worden, of popster, maar ik had intussen ontdekt dat dat te hoog gegrepen was, en schrijven deed ik erg graag dus dat zou ik gaan doen.

Ik zou niet meedoen aan de prestatiemaatschappij, was mijn verhaal. Nu, 42 jaar later, verwonder ik me over de diepgang van mijn maatschappijkritiek, en wat minder over de arrogantie die ik erbij aan de dag legde. Maar daar zou spoedig een  einde aan komen. Nadat de sympathieke conrector, de Latijnleraar Karsijns, een lang gesprek met mijn ouders had gehad, en mijn ouders naar aanleiding daarvan een indringend gesprek met mij, bleef ik toch volharden: ik wilde schrijver worden. Ik zou niet meedoen aan dat rare carrièregedoe in onze maatschappij.

Goed, zei mijn vader, dan ga je maar een baan zoeken, want wij gaan geen luizenleven bekostigen voor je. Dus moest ik solliciteren. Een dag later was ik aangenomen als kellner bij het wegrestaurant Routiers Nunspeet; een locatie waar het wemelde van de vrachtwagenchauffeurs die de merkwaardige combinatie van koffie met een bal gehakt bestelde, eigenlijk ongeacht het tijdstip van de dag. Wie in de counter stond, zoals de bar van het onpersoonlijk grote wegrestaurant genoemd werd, stond de hele dag koffie-bal uit te serveren. Ik stond er graag, omdat er vooral in late uurtjes en in de nachtdienst, bijzondere dingen gebeurden.

Zo kwamen Herman Brood en zijn Wild Romance regelmatig langs, maakten stelletjes van in de veertig afspraakjes waarvan hun partners niets af wisten, en kwamen er mensen met mysterieuze koffertjes binnen die even later door andere mensen werden meegenomen.

Ik liep daar als nieuwsgierig betwetertje van 18 jaar tussen. Het duurde even voordat ik het werk onder de knie had, want ik werd altijd erg onzeker van werk dat me niet vertrouwd was. Maar na een maand draaide ik volop mee. Ik had in mijn adolescente alwetendheid echter een valkuil. Ik stond mijn geachte collega’s de hele dag uit te leggen hoe de wereld in elkaar zat. Ik corrigeerde ze als ze een foutje maakte in hun redeneringen, en dat gebeurde nogal eens, want praktische kwaliteiten stonden hoger aangeschreven dan filosofische in die wereld.

Nu had ik twee bazen. De ene heette Bonsink, de andere van Emmerik. Bonsink was een klein mannetje met donkere krullen, een eendenmond en een libido van enig formaat, wat ik concludeerde uit het bedenkelijke feit dat hij regelmatig werd betrapt met ene Heiltje, die een abonnement leek te hebben op het verleiden van hogergeplaatsten. Bonsink schiep er behagen in zijn personeel met de nodige strengheid aan te jagen. Kleine mannen hebben dat wel vaker, dat ze denken dat ze 20 centimeter groeien als ze zich opstellen als een blaffende bulldog.

Voor Bonsink had ik niet zoveel respect. Ik deed  wat hij vroeg als hij in de buurt was, en verder kon hij me de spreekwoordelijke pot op. Van Emmerik was een ander verhaal. Deze ex-marinier speelde zijn autoriteit niet, maar was een autoriteit. Als hij binnenkwam, met zijn ernstige blik die in alles etaleerde dat het leven geen pretje was, dan werkten we ons een slag in de rondte. Maar in mijn eerste maand bij Routiers Nunspeet moest ik dat nog leren.

Van Emmerik en ik stonden samen koffie in te schenken voor een paar klanten, toen de bedrijfsleider zich liet ontvallen dat het hem irriteerde dat de regen dit jaar maar niet weg wilde. Ik zei met een lach dat dit niet goed geformuleerd was.

-Zo, zei van Emmerik, terwijl hij me aankeek met de rust van iemand die zojuist drie uur heeft zitten mediteren, en waarom is dit niet goed geformuleerd?

-Regen, begon ik uit te leggen met een heldere stem, heeft geen wil. U zegt dat de regen maar niet weg wil, maar dat is dus onmogelijk.

Hij zweeg even, en sommeerde me toen, overigens nog steeds rustig even mee te gaan naar zijn kantoor.

-Ga zitten, zei hij toen we daar aankwamen. Ik deed wat hij vroeg.

-Zo jongeman, begon hij, jij loopt hier nu een maand. Je doet het inmiddels aardig, maar bent bij lange na niet de beste. Ondertussen doe je alsof je professor Diepenhorst zelf bent.

En toen explodeerde hij.

-Als je niet onmiddellijk ophoudt om hier de filosoof uit te hangen, dan schop ik je hoogstpersoonlijk de straat op.

En toen gooide hij de plastic klep van de prullebak door de ruimte en begon hij te schreeuwen.

-Je bent hartstikke slim, dat zien we heus wel, dus dat hoef je niet de hele dag te laten zien, maar wat heb ik aan zo’n ingeblikte intellectueel die denkt dat ie god zelf is en zijn werk laat liggen omdat hij het belangrijk vindt om Socrates te citeren. Vanaf vandaag is het afgelopen met die onzin. Je doet gewoon je werk. Wees charmant en aardig tegen de klanten, probeer de kwaliteiten van je collega’s te zien en laat zien dat je een topkellner kunt zijn.

Zelden heb  ik me zo klein gevoeld. Mijn hart klopte in mijn keel, en ik voelde het bloed naar mijn hoofd stijgen.

Toen koelde hij af.

-Zo, zei hij rustig, en als je dit begrepen hebt haal je voor jou en mij twee koppen koffie en kom je hier als de wiedeweerga terug.

Ik verliet de ruimte, voelde een pruillip en haalde twee koffie. De grap die we met elkaar uithaalde, om zout in elkaars koffie te gooien, leek me even wat minder gepast. Van Emmerik gedroeg zich vervolgens vaderlijk, en zei dat ik rustig vragen aan hem mocht stellen, als ik iets wilde weten. Ook sprak hij met me over mijn school en mijn schrijfambities.

Daarna maakte ik mijn dienst af, en tot op de dag van vandaag heb ik een groot respect voor iedereen die praktisch werk doet. Want wandelende encyclopedieën zijn er genoeg, en uit de handen van theoretici komt vaak weinig tot stand. Al heb ik mijn liefde voor kennis niet verloren, en ben ik uiteindelijk toch nog schrijver geworden.

Van Emmerik ben ik eeuwig dankbaar. Ook al omdat ik van hem leerde, dat leren niet altijd leuk hoeft te zijn. En, niet te vergeten, omdat ik de waarde inzie van emotie in werksituaties.

Bert Overbeek geeft trainingen over leiderschap, is executive coach en teamontwikkelaar en -trainer.  Hij is te bereiken via bert_overbeek@hotmail.com, ook voor interactieve bijeenkomsten en lezingen. Zijn boeken over diversiteit behaalden stuk voor stuk top 10-noteringen bij Managementboek. (https://futurouitgevers.nl/auteurs/bert-overbeek/)

1 thought on “Leren is niet altijd leuk. En emotie in werk kan nuttig zijn!”

Rijk Binnekamp 3 weken ago

Schitterend verhaal Bert en zo herkenbaar 😉

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *