Rubriek: Hardnekkige patronen

Christchurch, wat leren we ervan? En…de onzin van racisme..

Ricky Gervais zegt het ergens in zijn stand up comedianshow, en hij vindt het oliedom. Als iemand niet in je politieke kamp zit, en hij zegt iets zinnigs, begin je toch als een koe ‘boeh’ te loeien. Zo iemand kiest voor een andere politieke kleur, en dus is wat hij zegt per definitie fout. En al is het al erg genoeg dat dit gebeurt bij een andere politieke kleur, het kan nog erger, namelijk als iemand iets zegt met een andere huidskleur.

De week van 10 tot en met 16 maart liet zien waar dit toe kan leiden. Een honderdtal Urkse jongeren richtten hun agressie op een Marokkaans gezin. En dan het bloedbad in Christchurch, door een benevelde idioot met een achternaam die op het woord ‘terror’ lijkt. Brendon Tarrant, geinspireerd door de Noorse massamoordenaar Breivik, verkeerde ongetwijfeld in de veronderstelling, dat hij een held was.

Je persoonlijke allergie…een worsteling?

Ieder mens is, naar verluidt, uniek, en daar moeten we vooral blij mee zijn, anders liepen we voortdurend onszelf tegen het lijf, en uit ervaring kan ik je zeggen dat dat geen pretje is. Maar om nu te zeggen, dat we er alleen maar blij mee moeten zijn, waag ik te betwijfelen. Je komt toch regelmatig mensen tegen, waarbij je happy bent dat je er niet samen mee op een zeilboot zit.

Er zijn zelfs mensen die in de prachtigste karakters een voorstadium van moordlust weten op te wekken. Je moet echter voorzichtig zijn met je daar al te nadrukkelijk over uit te spreken, want er is een hele sekte opgestaan van mensen, die onmiddellijk de gelegenheid aangrijpen om je te vertellen dat je niet mag oordelen.

Boek van de week

Opleidingen

Bekijk alle opleidingen

Hebben we alleen nog specialisten nodig? Nee!

Twintig jaren geleden was het mode om aan je verbeterpunten te werken. Je kreeg in sollicitatieprocedures te maken met assessments, en in die assessments werd gekeken waar je goed in was, en waar je minder goed in was. Je kreeg dan aandachtspunten mee, en daar moest je aan gaan werken.

De aandachtspunten waren gebaseerd op competentielijsten, en de mensen die beslisten over je sollicitatie keken kritisch naar de zo’n lijst, om vast te stellen waar je wel en waar je niet aan voldeed. En waar je niet aan voldeed, dat moest opgekrikt worden. Immers, de organisatie had behoefte aan een bepaald profiel, en om daar helemaal aan te beantwoorden, moest je een perfecte medewerker worden, al was het ook weer niet de bedoeling dat je perfectionistisch was, want dan kwam je werk-prive-balans in de knel.

Vacatures

Financieel directeur (Deventer)

Herken je je in onderstaand profiel én wil je werken bij een internationale, financieel gezonde, groeiende en dynamische onderneming die zich inzet voor een toekomstbestendige leefomgeving? Solliciteer! Bekijk alle vacatures

Advertorial

‘Hou je feedback eens dicht, man!’

‘Jij moet eens ophouden met die klotengrapjes van je tegen die jongen’ hoorde ik. Ik zat te genieten van een veel te warme februarizon vorige week, toen op het balkon van mijn achterbuurman een schelle stem de onophoudelijke stroom middelmatige popmuziek overstemde. Er waren op een vrije zaterdagochtend werkmannen aan het werk. Drie jongens van, naar zij zelf beweerden, een bonafide bedrijf, timmerden met hun gereedschappen de genoeglijke weekendrust naar de wensdromen.

‘Die jongen doet niks verkeerd. Die werkt hier nog maar pas, en die moet je potverdorie helpen, in plaats van dat je hem behandelt als een Zuideuropese asielhond.’

‘Ik discrimineer niet, maar…’

Wanneer ik een lezing geef over ‘mannen en vrouwen op de werkplek’, komen er meestal veel meer vrouwen dan mannen op af. Hetzelfde zie ik bij lezingen over culturele diversiteit. De zaal zit dan vol met mensen met voorouders van niet-Nederlandse afkomst. De mannen met Nederlandse voorouders ontbreken, en als ze er al zijn, hebben ze meestal een linkse politieke voorkeur.

Verwondert mij dit? Nogal. Om te beginnen vind ik diversiteit (een ongezellig woord, ik geef het toe) helemaal geen links onderwerp. We strooien met de termen links en rechts alsof het pepernoten zijn, en zodra een onderwerp niet past bij onze eigen geronnen opvattingen smijten we het naar onze politieke tegenstanders. Liefst met de nodige heftigheid, want we leven in een tijd dat dat wat afwijkt van wat we denken, behandeld moet worden als een emmer vol rottend fruit.

Betweterige regelzucht helpt managers niet in de 21e eeuw!

Onlangs waargenomen op een station, ergens in Nederland. Een wat oudere man schuifelde, ogenschijnlijk met wat pijn aan zijn heup, naar het einde van het perron. Hij moest daarvoor onder het overkapte deel door, kwam onder de blote hemel te staan en had een koude wind te trotseren om toe te geven aan zijn verslaving om een cigarillo op te steken.

Hij stond daar nog maar kort, toen een kortgekapte dame van ongeveer 50 met een hoekige bril, een scheenbeenlage blokjesrok en een amorfe donkergele jas, naast hem ging staan. Ze had een half perron tot haar beschikking, maar ze gaf er de voorkeur aan om een lange wandeling te maken om naast de man uit te komen. Onmiddellijk begon ze te kuchen, keurig met de hand voor de mond, terwijl ze naar de man bleef kijken. Ik weet niet of hij haar opmerkte, maar ik denk het wel, want hij draaide zijn lichaam half van haar weg en keek de andere kant op; een poging tot negeren. Zijn rook ging wel in haar richting.

Narcist? Borderliner? Autist? Hou eens op met die labels, joh…

Wanneer je in supermarkten, café’s of restaurants stiekem luistert naar gesprekken, die niet voor je bestemd zijn, lijkt het wel of iedereen psychiater is. De grensoverschrijdende ziektebeelden vliegen je om je oren, als muggen aan de waterkant op een zwoele avond. En er wordt flink gestoken, neem dat maar van mij aan.

Een van de meest populaire woorden die je hoort is het woord ‘narcist’. Dit ziektebeeld wordt meestal toegepast op leidinggevenden ex-partners. Nadat mensen tientallen jaren getrouwd zijn met dat wat ooit de man of vrouw van hun leven was, en de relatie via de guillotine naar het verleden wordt weggemoffeld, zeggen ze vol overtuiging dat ze het eigenlijk na 2 jaar al beu waren, die relatie.

‘Mij valt niets meer te leren’ is kul

In mijn werk kom ik het nogal eens tegen. Een klein deel van de oudere medewerkers (echt niet allemaal), die menen alles al gezien te hebben, en die, zoals zij met de overtuiging van een 20eeeuwse vakbondsbaas laten weten, niets meer kunnen leren. Alles is al een keer de revu gepasseerd, er is niets nieuws meer onder de zon en hun geest is een vaste en onveranderlijke klomp geworden, een loodzware massa die met geen 200 bulldozers van zijn plaats te krijgen is.

Als er iets nieuws binnenwappert in de organisaties waar ze werken, beginnen zij met het optrekken van een wenkbrauw, meestal gevolgd door een zucht, en als zij zich nog niet te oud voelen voor wat ontvlambaarheid breien zij een woordensjaal van weerstanden. Anders zuchten ze nog een keer, en schudden meewarig het hoofd, alsof de bedenkers van al dat nieuws zojuist zijn ontslagen uit de gesloten afdeling van een psychiatrische inrichting.

Sex, drugs en rock and roll in het bedrijfsleven

Wie deze kerstvakantie Ricardo Semmler’s advies wil opvolgen, om een literair verhaal te lezen in plaats van een managementboek, moet het e-book van Gern Huijberts eens lezen. Dit boek dat door de mainstream nauwelijks is opgemerkt, laat een schrijver aan het woord, die de doelloosheid zichtbaar maakt die in veel organisaties waar te nemen is.

Het boek gaat niet, zoals ‘Het Doel’ van Goldratt, over een complex managementprobleem, maar meer over de informele wereld die schuil gaat achter de formele wereld van organisaties. En daarbij valt het nodige te lachen. Wanneer mensen op kantoren op zoek zijn naar Pokémons, en dat in werktijd, dan schiet je toch in de lach.

Bokito-managers

Eens in de drie maanden spreek ik drie mannelijke collega’s over ons mooie vak van bedrijfscoach en -trainer. Vroeger heette zoiets intervisie, maar wij vinden dat een woord uit de psychosociale prehistorie, toen over elk mentaal detail een plank moest worden doorgezaagd van hier tot aan Botswana. Wij dachten eerst nog dat we er een andere naam voor moesten bedenken, iets vlots en pakkends, dat ons net zo goed zou passen als gepeperde merkschoenen.

Maar toen wij hoorden dat andere collega’s dat ook voortdurend aan het doen waren, zagen wij er vanaf, vooral vanwege de eigenaardige namen. Intervisie heette ineens ‘praathuis’, ‘werkgevoeluitwisseling’, ‘verbeteringsbabbel’ of ‘interactief leerhuis’. Dat vonden wij niets. Even wilden we ons nog ‘De Zwarte Hand’, een naam die wij allen waren tegengekomen in de jeugdboeken van Pietje Bell, het Rotterdamse rebelletje. Maar twee van ons vonden dat teveel doen denken aan de weëe spruitjeslucht die vroeger de Hollandse huishoudens terroriseerde. Omdat wij niets beters wisten te bedenken, gaven we het geen naam.