‘Ik discrimineer niet, maar…’

Wanneer ik een lezing geef over ‘mannen en vrouwen op de werkplek’, komen er meestal veel meer vrouwen dan mannen op af. Hetzelfde zie ik bij lezingen over culturele diversiteit. De zaal zit dan vol met mensen met voorouders van niet-Nederlandse afkomst. De mannen met Nederlandse voorouders ontbreken, en als ze er al zijn, hebben ze meestal een linkse politieke voorkeur.

Verwondert mij dit? Nogal. Om te beginnen vind ik diversiteit (een ongezellig woord, ik geef het toe) helemaal geen links onderwerp. We strooien met de termen links en rechts alsof het pepernoten zijn, en zodra een onderwerp niet past bij onze eigen geronnen opvattingen smijten we het naar onze politieke tegenstanders. Liefst met de nodige heftigheid, want we leven in een tijd dat dat wat afwijkt van wat we denken, behandeld moet worden als een emmer vol rottend fruit.

Dat een groot deel van de mannen zo weinig interesse lijkt te hebben voor de problemen die diversiteitsthema’s teweeg brengen, betekent niet dat we het er maar niet met elkaar over hebben. Integendeel, misschien is het wel de belangrijkste groep wanneer het om dit onderwerp gaat. Als blanke man hoor ik in werkomgevingen, café’s en op sportvelden natuurlijk maar al te vaak hoe ‘buitenlanders’, homo’s en vrouwen worden besproken. De discriminatie is niet subtiel, zoals in politiek correctere domeinen, waar we vooral het mombakkes van de keurigheid opzetten.

Zodra men zich onbespied waant, en ‘onder vrienden’ is, komen echter de grappen en oordelen los. In mijn jeugd weet ik nog hoe mijn opa en vader, beste mannen verder, de gekleurde zanger van Boney M een ‘rimboekikker’ noemde. Ook behoorden woorden als ‘poepchinees’, ‘rotmof’ en ‘klootjavaan’ tot het jargon van het masculiene deel van de bevolking.

Men vond wel dat men tolerant moest zijn, maar dat dan toch tenminste vanuit de positie van de normbepaler, van iemand die het recht had de wereld de maat te nemen; een oerhollands kwaaltje. De ‘zwartjes’ en ‘blauwen’ moesten blij zijn dat de Nederlandse cultuur zo verdraagzaam was, en dat zij kansen kregen, en verder niet zeveren. In Afrika was het immers allemaal anders. Ongegeneerd werd er gezegd dat de inwoners van dat werelddeel ‘van nature’ lui waren. Je moest ze, zo gezegd, achter de kont aan zitten om ze aan het werk te krijgen. Was het dan gek dat de westerse wereld zoveel welvarender was?

Ik herinner me dat deze openlijk beleden vormen van discriminatie in de jaren ’70 zelden vergezeld gingen van daden, al vond mijn vader het nog wel eens fijn om een Duitser grof aan te spreken, en hem te herinneren aan de wandaden van onze oosterburen in de oorlog. En hoewel hij nog nooit een Ghanees in levende lijve had aanschouwd, vond hij dat iemand uit Ghana vanwege zijn donkere huidskleur thuishoorde in een land waar de zon altijd scheen, ‘en dus niet in Nederland’.

Maar wanneer hij ‘live’ te maken had met een gekleurde medemens, was er geen spoor te zien van discriminerende opvattingen. Meestal was dat dan ‘toevallig een goede neger’ of iets dergelijks. En dat was typerend voor zijn generatie. Wel hard oordelen, maar meestal op afstand. Niet op de zeldzame momenten van het directe contact.  Mijn Molukse vrienden werden dan ook altijd hartelijk ontvangen.

Die interessante gespletenheid tussen woord en daad is intussen allang verdwenen. Je hoeft je kennelijk niet meer te generen tegenwoordig, als je openlijk beledigende opmerkingen maakt over mensen, die gay zijn, een andere huidskleur hebben dan jij of een andere levensbeschouwing aanhangen. Als je er maar bij zegt dat je geen racist bent, kan je iemand die anders is dan jij verbaal en zonder pardon met een braadpan met jus overgieten.

Moeilijker te doorgronden zijn de subtiele vormen van discriminatie waar we aan lijden. Een Aziatische toerist maakte desgevraagd in het NRC melding van het feit dat hij Nederlanders best aardige mensen vond, maar dat hij toch het gevoel had dat ze hem behandelden alsof hij niet helemaal gelijkwaardig aan ze was. Nederlanders met Nederlandse voorouders herkennen dit vaak niet. Die vinden dat anderen maar wat zeuren, en zich ten onrechte gediscrimineerd voelen. Maar om te begrijpen wat subtiele discriminatie is, moet je zelf de ervaring hebben anders te zijn dan anderen. Wanneer je behoort tot de main stream, ervaar je dit niet. Niemand geeft je het gevoel dat je minder bent, dat er iets niet helemaal goed aan je is, of een gevoel van wantrouwen. Jij doet het immers goed?

Ben je anders dan de dominante main stream van een samenleving, dan word je daar op allerlei manieren voortdurend aan herinnerd. Om dat te begrijpen moet je enige empathie hebben, en je kunnen verplaatsen, in plaats van wild om je heen te brallen dat mensen zich niet zo gediscrimineerd moeten voelen. Je bombardeert je op die manier tot een rinkelend cimbaal.

Diversiteit is een ongezellig onderwerp geworden, omdat we er zo krampachtig mee omgaan. En dat is jammer. Want ik heb ervaren dat in contacten met mensen, die in de verste verte niet op mij lijken qua achtergrond, geaardheid en huidskleur, de grappigste gesprekken ontstaan. Bovendien leer je en passant ook nog eens iets over jezelf. En dat is nooit weg in deze 21eeeuw, waarin het permanente leren zo’n belangrijke plaats heeft.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *