Bokito-managers

Eens in de drie maanden spreek ik drie mannelijke collega’s over ons mooie vak van bedrijfscoach en -trainer. Vroeger heette zoiets intervisie, maar wij vinden dat een woord uit de psychosociale prehistorie, toen over elk mentaal detail een plank moest worden doorgezaagd van hier tot aan Botswana. Wij dachten eerst nog dat we er een andere naam voor moesten bedenken, iets vlots en pakkends, dat ons net zo goed zou passen als gepeperde merkschoenen.

Maar toen wij hoorden dat andere collega’s dat ook voortdurend aan het doen waren, zagen wij er vanaf, vooral vanwege de eigenaardige namen. Intervisie heette ineens ‘praathuis’, ‘werkgevoeluitwisseling’, ‘verbeteringsbabbel’ of ‘interactief leerhuis’. Dat vonden wij niets. Even wilden we ons nog ‘De Zwarte Hand’, een naam die wij allen waren tegengekomen in de jeugdboeken van Pietje Bell, het Rotterdamse rebelletje. Maar twee van ons vonden dat teveel doen denken aan de weëe spruitjeslucht die vroeger de Hollandse huishoudens terroriseerde. Omdat wij niets beters wisten te bedenken, gaven we het geen naam.

In een van onze gesprekken zonder naam zei Ronald dat hij een kwal van een CEO kende. Alles wat Harvard en Insead in hun publicaties een manager afraden, deed hij, hoewel hij beide instituten had bezocht. Hij schoffeerde zijn mensen publiekelijk, vroeg zich ten overstaan van anderen af of zij wel geschikt waren voor hun werk, wapperde met een excel sheet, wat voldoende moest zijn om hen tot betere prestaties te motiveren, had niets met intrinsieke motivatie en zag zijn medewerkers als luie aliens, die voortdurend gecontroleerd moesten worden, niet alleen door finance en control, maar vooral ook door hun leidinggevenden en elkaar.

Maar buiten deze ouderwetse gieren- en hyena-benadering kwam vooral zijn gedrag ter sprake. Hij voldeed precies aan dat, wat ik in het verleden de ‘machomanager’ had genoemd. Dit type leider toont geen greintje empathie, schijnt uberhaupt verstoken te zijn van enig gevoel, lacht alleen als dat een doel dient, fronst, praat net een toontje zwaarder dan hij van nature doet, groet niemand op de gang, verwacht wel dat anderen hem groeten, is niet geinteresseerd in de lastige dingen op de werkvloer en houdt afstand. Overal waar hij komt bevriest de sfeer. Een soort Voldemort, die de strijd aanbindt met goedwillende professionals, maar ook met trouwe vazallen.

Wij bespraken het fenomeen, en men vroeg mij wat ik van de CEO-kwal vond, omdat ik immers een boek had geschreven dat over mannen en vrouwen op de werkvloer ging.

‘Dus jij moet weten’ zeiden ze ironisch. Ik relativeerde dat niet, wat ik normaal wel doe, want ik verbeeld me niets.

‘Die gozer is verblind door testosteron’ beweerde ik, en ik lichtte het toe. Wij onderschatten de hormonen, schreef ik al in mijn boek ‘Mannen en/of vrouwen’. Teststeron doet een paar dingen. Het maakt je doelgericht, het staat je meer vrolijkheid toe dan waar de wereld aanleiding toe geeft, en het geeft je het vermogen om je gevoelens in de koffer van het onbewuste te proppen, of moet ik zeggen: een onvermogen om je gevoelens toe te laten; ongetwijfeld een erfenis uit de tijd dat we op de steppe oog in oog stonden met dieren, die ons als een delicatesse beschouwden.

Ik voegde daar wat onwetenschappelijke onzin aan toe. Ik jokkebrokte dat testosteron je IQ met 50 punten omlaag jaste en dat het je problemen gaf bij het uit de lade pakken van kleine schaartjes en lepeltjes; iets dat voor vrouwen ‘peanuts’ is, omdat hun ogen anders zijn dan die van mannen, wat wel bewezen schijnt te zijn. Ik besloot mijn betoog met de vraag wat bij mannen als de CEO-kwal door het testosteron het meest gezwollen is.

‘Moeten we dat echt zeggen?’ vroeg Ronald, die geen zin had dat het gesprek plat werd.

‘Hun geslachtsdeel’ zei Theo, die niet hield van vertraging door vragen die nieuwe gesprekken opriepen.

‘Nee,’ antwoordde ik, ‘hun ego’.

Niemand vond het geestig, alleen ikzelf.

‘Maar zonder gein’ ging ik verder ‘Testosteron knijpt het gevoel af. In de regel hebben volwassen mannen daar 30x zoveel van als vrouwen, en puberjongens hebben weer 30x zoveel van dat spul als volwassen mannen. Vandaar dat ze comazuipen en elkaar soms tot bloedens toe slaan, en zich achteraf afvragen waarom in hemelsnaam. Machomanagers lijken in dit stadium te zijn blijven hangen. Ze denken dat het stoer is om onkwetsbaar en gevoelloos te zijn, maar ze zijn in wezen bang. Vandaar hun agressie.’

‘Bokitootjes’ verzuchtte Ron.

‘Zoiets. In elk geval zijn ze afgeknepen, en missen ze mededogen en empathie. Ze trekken een gezicht bij die woorden, alsof iemand hen een schep koffie in hun mond heeft gestopt.’

De mannen knikten. Ze herkenden het wel. Tjeerd, de derde van onze naamloze club, merkte op dat we er zo verrotte weinig mee kunnen, als het aangeboren is.

‘Je moet ze gewoon niet aannemen’ mompelde Ron. ‘Dan krijg je dit soort problemen niet.’

Ik dacht even na. En besloot.

‘Bij apen vormen vrouwen de coalities die bepalen wie op de apenrots mag staan. We moeten op dit punt dus meer macht geven aan vrouwen. Hun coalities zijn er beter toe in staat om een machomanager van zijn stekels te beroven, dan wij, de testosteronmannetjes die het liefst goed zijn met de grootste pik in de tent. Wij zijn namelijk niet alleen in het bezit van testosteron, maar ook van de amechtige neiging om achter een leider aan te huppelen. Ook al zijn het kwallen.’

Toen stond Tjeerd op.

‘Zullen we toch maar gewoon De Zwarte Hand oprichten? En dit soort onderwerpen laten voor wat ze zijn.’

We knikten instemmend.

 

Bert Overbeek is een zeer ervaren trainer en coach. Hij schreef verschillende boeken, onder andere over diversiteit. Zijn nieuwe boek ‘Goden en goeroes’ staat intussen in de top 10 van Managementboek. ‘Mannen en/of vrouwen’ is nog verkrijgbaar. Zijn lezingen worden als heel plezierig ervaren. pitcher.support@hetnet.nl

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *